Hoofdstuk 4.5.1 Instrumentale muziek in de Barok
Italië.
In Italië en Frankrijk is vooral het klavecimbel populair. De instrumenten zijn hier weliswaar minder groot dan in Duitsland, maar zijn in de nieuwe huismuziekpraktijk zeer geliefd. De orgels blijven in Italië kleiner dan in Duitsland.
De vroege toccata,s voor clavecimbel in Italië zijn vaak zeer gewaagde composities.
Michelangelo Rossi (ca. 1600-1674) schrijft toccata,s, die zowel harmonisch als ritmisch zeer gewaagd zijn.
In Italië is vooral Girolamo Frescobaldi (1583-1643) een zeer produktief componist. Hij schrijft veel muziek, (toccata's, canzone's en ricercares) voor orgel of klavecimbel. Zijn invloed is zeer groot vooral omdat hij veel leerlingen aantrekt die zijn compositiestijl over Europa uitdragen. (BV Johan Jacob Froberger)
In de tijd tussen 1600 en 1750 ontwikkelt zich ook een groot repertoire aan ensemblemuziek.
In Italië komt de Sonate da Chiesa en Sonata da Camera tot ontwikkeling bij o.a. Arcangelo Corelli (1653-1713). In deze composities gaat het meestal om een kleine bezetting: een zg.Trio-Sonate: 2 violen, cello en een akkoordinstrument.
Meestal heeft een sonate 4 delen in de volgorde: langzaam-vlug-langzaam-vlug.
Naast muziek voor kleinere instrumentale bezetting, werd er ook muziek geschreven voor iets grotere ensembles. Een geliefd genre wordt het Concerto Grosso. In een Concerto Grosso gaat het om een wedijveren tussen een kleine groep, het concertino, en een grotere groep, het ripieno. Uit het Concerto Grosso komt al heel spoedig het Solo-concert voort, waarbij het gaat om een wedijveren tussen één instrumentalist en allen, Tutti genoemd.
Concerti Grossi werden in Italië o.a. geschreven door:
Arcangelo Corelli (1653-1713)
Giuseppe Torelli (1658-1709)
Tommaso Albinoni (1671-1750)
Antonio Vivaldi (1678-1741)
Vanaf Torelli heeft het Concerto Grosso meestal 3 delen: Vlug-Langzaam-Vlug, waarbij het tweede deel meestal een soort lyrische aria is voor solist en basso continuo
Antonio Vivaldi brengt het Concerto grosso tot een veel geliefd genre.
Bij hem treffen we meestal het driedelige Concerto Grosso aan, waarbij het eerste deel van het Concerto vaak gebaseerd is op de refrein- of ritornello-model, het tweede deel meestal een liedvorm heeft en het derde deel vaak rondo-achtige trekken vertoont.
Het solo-concert, dat vooral in Italië en Duitsland populair wordt, vindt men bij dezelfde componisten die genoemd werden bij het Concerto Grosso, maar ook nog bij Pietro Locatelli (1695-1764) en Francesco Geminiani (1687-1762) en Giuseppe Tartini (1692-1770). De laatste componist is ook beroemd geworden vanwege zijn "Duivelstrillersonate" en zijn boek over het vioolspel.