Hoofdstuk 4.5 Instrumentale muziek in de Barok
Inleiding.
In de tweede helft van de Renaissance was een vrij omvangrijk instrumentaal repertoire ontstaan. Deze instrumentale muziek was vooral een bewerking van vocale muziek. In de periode van 1600-1700 wordt de instrumentale muziek anders van karakter. Het improvisatorische karakter van de instrumentale werken valt nadrukkelijk op. Door de veranderde sociale omstandigheden verandert de status van de instrumentalist en de opkomst van een nieuw publiek voor muziek (vooral de kooplui in de handelssteden worden rijk en krijgen daardoor de mogeljkheid instrumenten in hun huis te plaatsen en daarop te gaan of te laten spelen.) geeft de instrumentale muziek een enorme impuls.
In de Barok gaat de ontwikkeling van zelfstandige instrumentale muziek door. Hand in hand met de ontwikkeling van het repertoire komt er ook een duidelijke ontwikkeling in de instrumentbouw. Clavecimbels worden in Vlaanderen en Duitsland uitgebouwd tot instrumenten met twee clavieren en ook de orgels worden vooral in Noordelijk Europa indrukwekkende instrumenten met verschillende werken die door twee of drie manualen bespeeld kunnen worden en de pedalen worden uitgebreid tot een omvang van twee octaven of soms ten in de Barok. Voor beide instrumenten geldt dat zij in deze periode een bloeitijd meemaken, zowel wat de bouw als de muziek die ervoor geschreven wordt, betreft.
Het orgel, de luiten het klavecimbel zijn belangrijke instrumenten in de Barok. Voor deze instrumenten geldt dat zij in deze periode een bloeitijd meemaken, zowel wat de bouw als de muziek die ervoor geschreven wordt, betreft. Het orgel is vooral in Duitsland in deze periode uitgegroeid tot een indrukwekkend instrument.Het orgel en het klavecimbel zijn belangrijke instrumenten in de Barok. Voor beide instrumenten geldt dat zij in deze periode een bloeitijd meemaken, zowel wat de bouw als de muziek die ervoor geschreven wordt, betreft.
Het orgel is vooral in Duitsland in deze periode uitgegroeid tot een indrukwekkend instrument.
Ook in de bouw van andere instrumenten valt een duidelijke progressie waar te nemen. Om enkele voorbeelden te noemen:
De vioolbouw bereikt een duidelijke bloei als familie:
- Amati (Andrea Amati (ca 1500- 1578), Girolamo Amati (1551-1630), Nicolo Amati (1596-1684), Girolamo Amati (1649-1740))
- Guarneri (Andrea Guiarneri (1626-1698) Pietro Guarneri (1655-1720), Giuseppe Gian Guarneri (1666- 1740), Pietro Guarneri (1695-1762) Giuseppe Guarneri (1698-1744)
en
Stradivarius (Alessandro Stradivarius (1600-1630), Antonio Stradivarius (?1644-1737), Francesco Stradivarius (171-1743), Omobono Stradivarius (1679-1742)
hun instrumenten gaan bouwen.
De clavecimbelbouw krijgt een enorme impuls.
In Italië zijn belangrijke bouwers: Domenco Pisaurensis, Alessandro Trasuntio, Antonio Baffo, Allesandro Bertolotti, Giovanni Batisai Boni, en Cristofori,
In Vlaanderen zijn vooral de Ruckers beroemde bouwers geweest. Later zijn ook Anton Dulcken en Jean Daniël Dulcken beroemd als bouwer.
In Frankrijk is Jean Jacquet als bouwer van instrumenten voor het Franse hof van grote betekenis. Later is ook Vincent Tibaud bekend geworden. De familie Denis wordt ook als bouwer van indrukwekkende clavecimbels vermeld. Taskin sluit de in rij Franse bouwers af.
Vooral in Versailles zijn zeer fraaie clavecimbels te vinden.
In Duitsland komt de bouw van clavecimbels iets later op gang. Vooral de instrumenten van de hand van Hass-dynastie zeer beroemd. Van Hass zijn ook clavecimbels met drie manualen bekend.