Hoofdstuk 3.2.3 Renaissance, de Bourgondische school (De generatie van Obrecht en Josquin)

 

Van Ockeghem heeft verschillende leerlingen gehad die later zelf beroemd componist zouden worden.

In de klaagzang op de dood van Ockeghem noemt zijn leerling Josquin des Prez (ca 1442-1521) o.a. Antoine Brumel (1460-1515), Pierre de la Rue (ca 1460-1518) en Loyset Compère (1445-1518).

Josquin des Prez is in zijn tijd een zeer beroemd componist geweest. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Italië, het culturele centrum van zijn tijd, doorgebracht. Zowel aan het pauselijke hof als aan de hoven van de Sforza's en Ferrara's en aan het Franse hof heeft hij tijdelijk gewerkt als zanger/componist. Zijn roem was internationaal. Maarten Luther roemde hem met de woorden: "Alle andere componisten doen wat de noten willen, maar alleen bij Josquin doen de noten wat hij wil".

Josquin des Prez

Zijn roem is niet alleen af te lezen uit de grote hoeveelheid handschriften met zijn werken (tot vele jaren na zijn dood gemaakt), maar ook uit het feit dat zijn werken in de uitgaven van de allereerste muziekdrukker, Petrucci, in Venetië (1503) een grote plaats innemen.

De polyfonie van Josquin onderscheidt zich van die van Ockeghem door een grotere mate van helderheid qua indeling. Ook is de ritmische grilligheid, die bij Dufay en Ockeghem nog voorkomt, bij hem veranderd in evenwichtigheid. In zijn muziek valt op dat hij een nieuwe balans weet te bereiken tussen enerzijds de geleerdheid van de Bourgondiërs voor hem en anderzijds het schoonheidsideaal dat in Italië op het hoogtepunt van de Renaissance geldt. Bij Josquin komt ook al enigszins het opkomend humanisme aan de orde hetgeen blijkt uit het feit dat hij aandacht gaat geven aan de tekst die hij componeert. Sommige woorden worden uitgebeeld in toonschildering of herhaling.

 

Een belangrijk element in de werken van Josquin en zijn tijdgenoten is het principe van de doorimitatie: een stem zet in met een bepaald melodisch gegeven en de stem die daarna inzet, bootst dit gegeven na. Bij Josquin valt naast de imitatie-techniek ook op dat hij een voorkeur heeft voor het werken met stemparen. In zijn composities komen naast doorimitatie en stempaar-momenten ook homofone passages voor die vooral ten doel hebben bepaalde tekstdelen meer onder de aandacht te brengen.

 

Josquin des Prez: Ave Maria

Josquin des Prez: Missa Pange Lingua: Kyrie

Josquin des Prez heeft zich ook met de compositie van wereldlijke muziek bezig gehouden. Het chanson of het madrigaal wordt in zijn handen soms een minder polyfone compositie als zijn kerkmuziek.

Josquin des Prez: El grillo

 

Als laatste grote componist uit het tijdperk Josquin moet Heinrich Isaäc (ca 1450-1517) genoemd worden. Hij heeft het grootste deel van zijn leven aan het hof van Maximiliaan I in Innsbruck doorgebracht. Ook van Isaac zijn missen, motetten en chansons bewaard gebleven.

Heinrich Isaäc: Motet: Quis dabit pacem populo timenti

Ook bij hem is er aandacht voor compositie van wereldlijke muziek.

Heinrich Isaac: Es wollt ein meydleyn grasen gan

Zijn naam is ook verbonden aan het zg. tenor-lied: een bewerking van een bestaand Duits lied, waar bij de bestaande melodie als cantus-firmus wordt gebruikt. De bijgecomponeerde stemmen hebben meestal dezelfde ritmiek als de cantus-firmus. (Men zou het een homofone zetting kunnen noemen).

Heinrich Isaac: Innsbruck ich muß dich lassen

Met de composities van deze generatie Bourgondiërs is een einde gekomen aan het componeren in cantus-firmus-techniek. De nieuwe imitatie-techniek gebruikt nog wel een cantus prius factus, maar laat die niet meer als geheel in de tenor of geparafraseerd in de sopraan klinken, maar gebruikt de cantus prius factus alleen nog als uitgangspunt voor het vormen van melodisch fragmenten, waarmee de compositie wordt opgebouwd.