2.2. Wereldlijke muziek vocaal: Troubadours, Trouvères, Minnesänger.

 

Er zal waarschijnlijk ook buiten de kerk vóór het jaar 1000 gemusiceerd zijn, maar aangezien deze muziek niet werd opgeschreven (alleen de geestelijkheid kon lezen en schrijven en het valt aan te nemen dat die alleen over geestelijke zaken schreven), hebben we hier geen bewijs meer van.

Vanaf ca. 1050 is de politieke en maatschappelijke situatie in West-Europa zo veranderd, dat vanaf die tijd ook over niet-geestelijke zaken werd geschreven. Er zijn vanaf die tijd ook enkele handgeschreven bronnen met niet-liturgisch geestelijke en ook wel wereldlijke muziek. Het overgeleverde materiaal is aanvankelijk nog zeer schaars in vergelijking met de overgeleverde bronnen van liturgische muziek, maar we kunnen op grond van die weinige informatie ons toch wel een beeld vormen van de ontwikkelingen die toen hebben plaats gevonden.

Er zijn getuigenissen van rondtrekkende groepen speellieden die het publiek in dorpen en steden vermaakten met zang, dans en acrobatiek. Deze mensen werden jongleurs genoemd. Ze hadden een zeer slechte reputatie maatschappelijk gezien. Soms afkomstig uit de geestelijkheid, waar zij door een conflict of afwijkend gedrag uit verbannen waren. Later werden deze mensen ook wel minstrelen genoemd. Hun repertoire werd bijna uitsluitend mondeling overgeleverd, zodat wij weinig meer over hebben van hun muziek. Een deel van hun repertoire bestond uit z.g. chansons de geste: verhalende liederen over grote helden en hun prestaties. Het beroemde Rolandslied uit de2e helft van de 11e eeuw is hiervan een fraai voorbeeld.

Een speciale groep zwervers waren de vaganten. Soms waren dit uitgetreden geestelijken. Zij wilden hun herwonnen vrijheid uiten in allerlei liederen: drinkliederen, spotliederen, liefdesliederen op teksten die zowel in de volkstaal als in het Latijn zijn overgeleverd. Een belangrijke bron van deze liederen is de verzameling die onder de naam Carmina Burana is bewaard gebleven. In de 20ste eeuw heeft Carl Orrf (1937) een cantate voor koor, solisten en orkest met deze teksten gemaakt.

Uit Carmina Burana: Flete flenda

In de 11e eeuw ontwikkelt zich de ridderstand met een eigen cultuur die we hofbeschaving zouden kunnen noemen. Deze hoofse cultuur kende als belangrijk aspect de hoofse liefde. Een edelman bemint een vrouwe die van hogere komaf is dan hijzelf. Meestal is zij door een huwelijk al aan een andere man gebonden. De aanbedene is dus volstrekt onbereikbaar. Een belangrijk middel om zijn liefde vorm te geven wordt het minnedicht en zo ontstaat de hoofse lyriek.

De oudst bewaarde wereldlijke muziek is van Troubadours, Trouvères en Minnesänger. Zij waren dichters-componisten, meestal van adellijke afkomst. Zij lieten zich vaak vergezellen door een jongleur of minstreel. Vaak hebben hun liederen een refrein.

Troubadours

De hoofse cultuur ontwikkelt zich eerst in Zuid-Frankrijk. Het eerste belangrijke centrum is het hof van Willem IX, hertog van Aquitanië. Hij wordt gerekend tot één van de eerste troubadours.

Troubadoursfeest

De meeste troubadours waren dichters of dichters-componisten van adellijke afkomst. Enkele waren van lagere afkomst. Naast liederen over de hoofse liefde vinden we bij hen ook liederen met politieke satire en heldendichten. De liederen die zij schreven werden meestal door minstreels uitgevoerd, die soms van kasteel naar kasteel rond trokken en soms ook langere tijd in dienst van één kasteelheer bleven. De taal waarin de troubadours hun liederen schreven was het oude Provencaals of Langue d'Oc. De bekenste troubadours waren:

Guillaium de Poitiers (of Willem van Aquitanië) (1071-1127)

Marcabru gest. ca 1140.

Marcabru (uit één van zijn miniaturen)

Bernard de Ventadorn 1130-1195

Quan vey la lauzeta

van Bernard de Ventadour

Bertran de Ventadorn (Afgebeeld in de kapitaal van één van zijn miniaturen)

Betran de Ventadorn: Eram cosselhatz, senhor

Bertran de Born

Pierre Vidal

Pierre Vidal (afgebeeld in een kapitaal in één van zijn miniaturen)

 

Raimbaut de Vaqueiras (gest. 1207)

Waarschijnlijk is veel van het repertoire van de troubadours verloren gegaan. Wat we over hebben van hun liederen levert een beeld op van melodiek die zeer verwant is aan het gregoriaans. Helaas is de interpretatie van hun werk problematisch, omdat hun muzieknotatie bijna geen informatie verschaft omtrent het ritme. Er zijn ongeveer 260 melodieën bewaard gebleven. (Van de trouvères hebben we ca 2000 melodieën over!)

Dat de liederen van de troubadours zeer geliefd zijn geweest is af te leiden uit razos (levensbeschrijvingen van troubadorus) en uit enkele zeer fraai vormgegeven verzamelingen van hun liederen uit die tijd. Het manuscript van Charles van Anjou is een van de fraaiste "liederenboeken voor de koning."

Een troubadoursminiatuur uit ca. 1300

Rambaut de Vaqueras: Kalenda maya

Ook over de uitvoering van hun muziek is niet veel bekend. De rol die instrumenten mogelijk gespeeld kunnen hebben blijft speculatief. Hedendaagse uitvoering van hun liederen gaan dan ook meer op intuïtie dan op informatie af. Afbeeldingen van instrumentarium uit deze tijd levert enige informatie over mogelijke instrumentale begeleiding. Omdat de melodieën van de troubadoursliederen enige overeenkomst vertonen met die uit de oosterse culturen (en ook wel met het gregoriaans), gaan sommige uitvoerders ervan uit dat ook de rol van het instrumentarium bij de uitvoering van de liederen op oosterse leest geschoeid was. Vandaar dat sommigen bij uitvoeringen een z.g. bourdon-begeleiding kiezen. (hoofdtonen van de toonladder klinken steeds door als bij draailier of doedelzak.)

 

Door veranderingen van maatschappelijke aard verdwijnt de troubadourskunst begin 13e eeuw vrij abrupt. Er ontstaan de Albigenzen oorlogen, waarbij de katholieke kerk met steun van de Franse koning de Albigenzen (een ketterse groepering die in Zuid-Frankrijk veel aanhangers had gekregen) op zeer gewelddadige wijze bestrijdt. Omdat de Franse koning zijn macht na de oorlog naar het zuiden van Frankrijk heeft weten uit te breiden verdwijnt de Provencaalse taal op den duur vrijwel geheel en wordt zij verdrongen door de taal van Noord Frankrijk.

Trouvères.

Ca 1150 (iets later dan in het zuiden van Frankrijk) komt ook in het noorden van Frankrijk de hofcultuur op. Dichters-componisten schrijven hier hun poëzie in het Langue d'Oïl. Een belangrijke rol bij het overbrengen van de hoofse cultuur van Zuid- naar Noord-Frankrijk speelt Eleonora van Aquitanië die eerst met de Franse koning Lodewijk VII gehuwd is geweest en later met de Engelse koning Hendrik II. Eleonora was de moeder van Richard Leeuwenhart, die koning van Engeland zou worden en zelf een bekende trouvère was.

Bekende trouvères waren:

Chrétien de Troyes (1120-11-80)

Richard Leeuwenhart gest. 1199

Richard Leeuwenhart: Ja nun hon pris ne dira

Thibaut IV van Champagne gest. 1258

Adam de la Halle (1237-1287)

Adam de la Halle

Adam de la Halle heeft naast veel liederen ook het eerste muziekspel op zijn naam staan dat bewaard is gebleven: Le jeu de Robin et de Marion. Het stuk is een pastorale waarin een ridder een herderin ontmoet. Het stuk bevat naast gesproken dialogen ook liederen.

Het begin van Le jeu de Robin et Marion

Adam de La Halle: Uit "Le jeu de Robin et Marion" Bergeronette

De kunst van de trouvères is enigszins anders dan die van de troubadours. Bij de eersten vinden we meer vaste vormen in hun melodieën en bovendien is hun muziek beter te ontcijferen. Zij hebben vaak een interpretabele ritmisch notatie. De kunst van de trouvères zal in de meerstemmig muziek van de Ars Nova worden voortgezet.

 

Minnesänger.

In het Duits wordt de hoofse liefde vertaald met hohe Minne. De Duitse zangers van de deze liederen worden dan ook Minnesänger genoemd. De minnesängers waren meestal van adel en waren actief in het Duitse taalgebied. Hun traditie begint ongeveer in 1200. Hun kunst heeft langer bestaan dan die van de troubadours en trouvères. Hendrik van Veldeke wordt, hoewel hij ook tot de vroege Nederlandse schrijvers wordt gerekend, ook als minnesänger beschouwd.

Belangrijke Minnesänger zijn:

Walther von der Vogelweide (1170-1228)

Walther von der Vogelweide

Walther von der Vogelweide: Allererst lebe ich mir werde

Tannhäuser ca 1250

Heinrich von Meissen (bijnaam Frauenlob) gest. 1318

Oswald von Wolkenstein (1377-1445).

De liederen van de Minnesänger zijn meestal eenstemmig. De meerstemmigheid komt in het Duitstalig gebied pas later op gang dan in het Franse gebied.

 

Meistersänger

In de 15e en 16e eeuw zien we in de steden de opkomst van de gilden. Een van de gilden was die van de zangers. In Duitsland werden die de Meistersänger genoemd en in Nederland zien we als tegenhanger de Rederijkers. In de gildencultuur wordt het maken van liederen aan strenge regels gebonden.

De bekendste Meistersänger is Hans Sachs (1494-1576).

De Meistersängers en Minnesängers zullen in de literatuur en de opera's in de 19e eeuw weer tot leven gewekt worden, zij het in een -soms- geromantiseerde versie. (Richard Wagner: Die Meistersänger von Neurenberg en Tannhäuser)